06 - 26348903 jajaberg@xs4all.nl

De zekere groei en innovatie van modulaire woningbouw

Verslag van het Architectenweb netwerkevent rond modulaire woningbouw op 14 februari 2019
project

thema's

Leestijd Bergplaats

Dinsdag 14 februari 2019 vond bij Broeinest Amsterdam het Architectenweb netwerkevent rond modulaire woningbouw plaats. Dat het modulaire bouwen van vroeger snel aan het veranderen is bleek uit de vier bijdragen van Rutger Schoor (Jan Snel Group), Marcel Steeghs (SVP), Bas de Haan (NEZZT) en Paddy Sieuwerts (cepezed). In deze manier van bouwen liggen mogelijke antwoorden om de woningbouwproductie te versnellen. Ook biedt het veel kansen rond circulariteit. Modules kunnen immers weer teruggenomen worden.

Het aandeel van modulaire woningbouw in de totale jaarlijkse bouwproductie is nu nog beperkt tot een paar procent. Maar dit aandeel groeit wel ieder jaar. En daar zijn verschillende goede redenen voor, zo bleek tijdens het drukbezochte netwerkevent.

Waarom denken we dat in het werk gemaakte gebouwen beter zijn, langer meegaan, dan gebouwen uit modules die in de fabriek gemaakt zijn? Dat vroegen de fabrikanten de modulaire bouwsystemen het publiek herhaaldelijk. Voor het omgekeerde valt namelijk ook veel te zeggen: in de fabriek is een veel stabielere bouwkwaliteit te realiseren. En bovendien, dat argument bleef ook steeds terugkomen: modules kunnen ook weer ‘afgestapeld’ worden, en dus zelf of in onderdelen hergebruikt worden. Modulaire woningbouw kan dus circulair zijn.

Mass custimization

Rutger Schoor, algemeen directeur bij Jan Snel, begon zijn bijdrage met het ontkrachten van een aantal vooroordelen rond modulair bouwen. Zo ligt de oorsprong van modulair bouwen bij het wereldberoemde Chrystal Palace (1851. Kassenbouwer Joseph Paxton gebruikte bij de bouw, als een van de eersten, geprefabriceerde elementen die samengesteld het paviljoen vormden. Na de wereldtentoonstelling werd het uit elkaar gehaald en elders herbouwd. Schoor verwijst graag naar Chrystal Palace vanuit zijn constatering dat veel architecten modulair bouwen nog steeds als een minderwaardige bouwmethode beschouwen. Ten onrechte omdat de variaties, verfijning en mogelijkheden een snelle ontwikkeling doormaken.
Daarvan is modulaire hoogbouw misschien nog wel het meest veelbelovend omdat het effectief ingezet kan worden in hoogstedelijke gebieden waar ruimte schaars en de vraag naar woningen groot is. Modulaire hoogbouw is ook interessant omdat het een zeer kleine bouwplaats vergt en er relatief weinig verkeer naar de bouwplaats nodig is. Schoor noemt als concreet voorbeeld het 29 verdiepingen tellende project Apex House (studentenwoningen) in Londen/Wembley dat collega modulair bouwer Vison heeft gebouwd.
In de context van de huidige bij de vraag achterblijvende woningbouwproductie biedt modulair bouwen volgens Schoor kansen bij uitstek. En vanuit het principe van mass custimization kunnen producenten, nadrukkelijk samen met architecten, ook doelmatig, gevarieerd en flexibel inspelen op wisselen woonwensen én de transitie van bezit naar gebruik door verschillende doelgroepen. De kansen en mogelijkheden zijn dus veel rijker en groter dan menigeen denkt.

Open source

Marcel Steeghs van SVP Architectuur en Stedenbouw kon aansluitend daarop pronken met hun woningbouwproject SET op IJburg dat, volgens een door Schoor geciteerd artikel, ‘ondanks’ de toepassing van modulaire elementen een succes is en prijzen wint. Maar Steeghs ging vooral in op recent onderzoek dat het bureau heeft gedaan naar kleinschalig wonen: ‘Skinny Houses’. Een onderzoek dat architectonisch en stedenbouwkundig anticipeert op de algemene demografische verwachtingen dat er in de nabije toekomst vooral veel eenpersoonshuishoudens zullen zijn (onder zowel jongeren als ouderen). Onderzoek voorziet landelijk in 44 procent eenpersoonshuishoudens in 2060, waar Amsterdam nu al op 55 procent van haar totaal zit. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal dan in de vier grote steden maar liefst 1 op de 2 huishoudens éénpersoons zijn. Daar ligt wat Steeghs betreft ook de uitdaging om met behulp van modulaire systemen te voorzien in kleine, vooral grondgebonden, en vooral op de vraag toegesneden wooneenheden.

In zijn verdere uitwerking van de nabije toekomst van circulaire, modulaire woonunits maakte Steeghs een opvallende vergelijking met de ontwikkeling van modulaire synthesizers in de jaren ‘60 en ‘70. De eerste versies van dit systeem, met verschillende standaarden, werkte niet goed en werd snel vergeten. Maar recentelijk is het, na de lancering van een universele standaard, herontdekt en omarmd.

Dit voorbeeld leert dat een mogelijk succesvol en adaptief model voor modulair bouwen ligt in een open source systeem waarin systemen en onderdelen op elkaar afgestemd zijn. Steehghs daagde de aanwezige partijen dan ook nadrukkelijk hiertoe uit. Een systeem ligt dan binnen handbereik waarin innovaties en deeloplossingen door verschillende betrokkenen (ontwerpers en producenten) elkaar versterken en ondersteunen. Een variant van Plug & Play waarbij bouwkundige elementen binnen een module met vaste stramienmaten uitwisselbaar zijn én ook de flexibiliteit en innovatiekracht verhogen.

Circulair frame

Bas de Haan van NEZZT, onderdeel van De Meeuw, benadrukte in zijn bijdrage eveneens de snelle transitie die modulaire woningbouw doormaakt. Zo heeft NEZZT een nieuw frame ontwikkeld, dat dit jaar gelanceerd wordt, dat de basis vormt voor de volgende generatie van modulaire woningbouw van het bedrijf. Het frame is zo ontworpen is dat het zeer flexibel is qua configuratie, goed te stapelen is, en steeds herbruikbaar is (circulair).

Als producent van een modulair woningbouwsysteem ziet De Haan ook dat de huidige knelpunten op de woningmarkt en in de woningbouw in zijn voordeel werken. Bedrijven als NEZZT hebben een duidelijke kennis- en praktijkvoorsprong op meer traditionele bouwers in het snel kunnen leveren van aanpasbare woonvoorzieningen (tijdelijk of niet) die ook nog een circulair zijn. Die voorspong en wind in de zeilen worden ook geïllustreerd door de voorbeelden van aanstaande projecten van NEZZT die De Haan liet zien. Variërend van hoogbouw van 15 bouwlagen (OMA), bouwen op het water, tot gebouwen waar het bedrijf de garantie op geeft om ze na gebruik terug te kopen. Het zijn stuk voor stuk voorbeelden die bevestigen dat modulaire (woning-)bouw nog maar aan het begin van een verdere kwalitatieve en kwantitatieve groeicurve staat.

Modulaire knopen

Als architect/partner bij cepezed vertegenwoordigt Paddy Sieuwerts een bureau dat zich als sinds de oprichting nadrukkelijk verhoudt tot de wisselwerking tussen architectuur en industrie. Met de legendarische Heiwo-woning schreef het bureau in 1982 wat dat betreft al architectuurgeschiedenis. Het daar toegepaste grondbeginsel, het werken met een kit of parts in plaats van het stapelen van blokken of dozen, is nog steeds een rode draad bij veel ontwerpen. Voor cepezed brengt dit denken in modules of knopen het integrale ontwerpen dichterbij. Door uit te gaan van een frame waaraan geprefabriceerde elementen kunnen worden toegevoegd (ingehangen), en ook weer uit worden verwijderd, neemt de nauwkeurigheid en flexibiliteit noemenswaardig toe.

Het denken en ontwerpen vanuit knopen geeft ontwerpers volgens Sieuwerts bovendien veel meer vrijheid en flexibiliteit om tot woonkwaliteit op maat te komen. De gemiddelde bewoner immers in die kwaliteit geïnteresseerd en niet of deze prefab of modulair tot stand is gekomen. cepezed begon deze gedachte uit te werken met ruimtebepalende meubels die centraal stonden in een interieur. In verloop van tijd evolueerde dit onderzoek tot veelsoortige varianten. Een recent voorbeeld is het project ’t Eemgoed dat in ontwikkeling is in Almere Oosterwold. Hier worden binnen een verbindende longhouse-typologie met grasdak ruim tachtig woningen in zeven verschillende breedtematen en andere ruimtelijke variaties gemaakt.
Een ander voordeel van het werken vanuit een modulaire knoop is, volgens Sieuwerts, de mate waarin ontwerpen kunnen assimileren in bestaande gebouwen. Bij Het Arsenaal in Delft worden zo modulaire elementen aan het bestaande, historische gebouwenensemble toegevoegd. Toevoegingen die de ruimtelijkheid bepalen en beïnvloeden maar later ook weer te verwijderen zijn.

De vier presentaties die gedurende het netwerkevent werden gepresenteerd illustreren elk een duidelijke, zij het ietwat andere benadering van modulaire woningbouw. Het is evenwel duidelijk dat er grote stappen worden gezet: Modulaire woningbouw gaat onvermijdelijk de hoogte in en er is veel kwaliteit en variatie aanwezig en in ontwikkeling.
Ook moet modulair bouwen als een serieuze optie beschouwd worden bij de ambities om circulair te bouwen. Schaalvergroting is echter, zeker volgens de producenten, noodzakelijk willen deze en andere ontwikkeling ook voordelig(er) worden. Het pleidooi van Steeghs voor een combinatie van standaardisering met open source sluit hier goed op aan.
De producenten staan in elk geval positief tegenover een nauwere samenwerking met architecten om zo nog meer kwalitatieve, gevarieerde, modulaire woningbouw tot stand te brengen. Alleen met een dergelijke kwaliteitssprong én met verdere groei kan de verdere acceptatie van modulair bouwen bewerkstelligd worden.

0 reacties