06 - 26348903 jajaberg@xs4all.nl

Detail Parlante

Essay over vakmanschap en ambacht in het werk van Marlies Rohmer
project

Detail Parlante

thema's

Leestijd Bergplaats

Het gebruik van de termen vakmanschap en ambacht heeft de laatste jaren sterk opgang gemaakt in de architectuur. Het is een ontwikkeling die niet bepaald op zichzelf staat want ook in andere creatieve sectoren én in onze samenleving als geheel is de aandacht voor en invloed van deze begrippen goed zichtbaar. De aandacht komt voort uit een combinatie van factoren; van de hang naar verandering, de afkeer van anonieme en niet transparante productieprocessen tot de omarming van het lokale en het kleinschalige op het gebied van voedsel, duurzaamheid, woonomgeving en veel meer. Maar voor het belangrijkste deel is die hernieuwde aandacht voor vakmanschap en ambacht toch wel te verklaren door een algemene heroriëntatie over de wijze van produceren en maakprocessen. Er is een duidelijk gevoelde noodzaak voor een andere omgang met grondstoffen en aardse reserves. Decennia waarin massa, bulk en het opvoeren van efficiency als een onaantastbaar credo golden lijken geleidelijk afgelost te worden door een periode waarin andere normen moeten gaan gelden. Dat de groeiprognoses lager zijn bijgesteld en de economische druk met bijbehorende stress zijn afgenomen spelen op de achtergrond natuurlijk ook een significante rol. In plaats van meer en sneller lijken langzamer en unieker opeens een sterke aantrekkingskracht als kwaliteitsaura te verkrijgen.

Het zijn stuk voor normen en waarden die in veel opzichten een contramal van eerdere principes en overtuigingen vormen. Zoals zo vaak bij vermeende ingrijpende veranderingen of (pseudo-)revoluties gaat ook deze transitie in het denken en werken gepaard met een redelijke stortvloed aan ondersteunende gedachtevorming en bespiegelingen. Het boek ‘De Ambachtsman’ van arbeidssocioloog Richard Sennett voert doorgaans de lijstjes op dit gebied aan. Sennet’s studie uit 2008 gaat uit van een intrigerende aanname over wat vakmanschap is; ‘Ambachtelijkheid staat voor een blijvende, basale menselijke neiging: het verlangen om werk goed te doen omwille van het werk zelf, waardoor we vaardigheden ontwikkelen en gericht zijn op het werk in plaats van op onszelf.’ Sennet ziet het streven naar kwaliteit door de vakman namelijk terug in veel facetten van onze moderne samenleving. Vakmensen werken, op uiteenlopende wijze, met kunde en toewijding aan het oplossen van problemen en streven naar een optimaal resultaat. Vakmanschap komt volgens Sennet voort uit het zelfbewust en onvermoeibaar zoeken en vinden van steeds weer nieuwe oplossingen en producten: the craft of experience. In navolging van en na Sennet hebben sindsdien hebben ook talloze andere auteurs en instellingen zich met de ontwikkeling van de begrippen en de implementatie daarvan bezig gehouden.

Meer toegespitst op de architectuur is de studie van de Zwitserse architect en professor architectuur en constructie aan de ETH in Zürich, Andrea Deplazes. ‘Constructing Architecture; Materials, Processes, Structures. A Handbook’ (2008) wordt door vele architecten ruimhartig omarmd. In eigen land mag op dit gebied de publicatie ‘Architecture as a Craft’ (2011) onder redactie van Michiel Riedijk niet onvermeld blijven. Riedijk doet daarin een poging om een verdere impuls te geven aan een trend naar het hervinden en herformuleren van de weggezakte kracht en het vermogen van de architectuur. Vanuit zijn positie als succesvol ontwerper én als hoogleraar architectuur aan de TU Delft, wil Riedijk terug naar de basis van het vak, dat zuiveren van onnodige ruis en het terugbrengen naar de essentie. Hij haalt daarbij in zijn inleiding ook dankbaar Sennet aan, die schrijft dat de ambachtsman zich, onder andere, onderscheidt door zijn verzet tegen de voortdurende erosie van vaardigheden. De architect als ambachtsman moet zo weer als generalistisch ontwerper gaan opereren die zich tot alle facetten van een ontwerpproces kan en moet verhouden om zo het beste resultaat voor zijn klant en zichzelf tot stand te brengen.

Monoliet met kroonlijst (Wild Wonen, Almere)
De woningen in de Almeerse Eilandenbuurt maakten in 2001 deel uit van de woningbouwexpositie GeWild Wonen die in Almere Buiten plaatsvond. Net als alle andere projecten die deel uitmaakten van die manifestatie is het ontwerp voor een belangrijk deel gericht op het adresseren van mogelijke veranderingen in de woningbouw en het bestaande aanbod. Niet onbelangrijk is dat het project ten tijde van de expositie deel uitmaakte van een programma dat er op gericht was publiek en belangstellenden te trekken. Door dit ‘showelement’ onderscheidt het zich bij voorbaat al van een meer regulier project en krijgt het mede daardoor veel aandacht. Dit aspect heeft bij alle architecten die een ontwerp hebben gemaakt voor de Eilandenbuurt zeker een rol van betekenis gespeeld.
Maar dit project van Rohmer is, naast een expo-model, toch in de eerste plaats een conceptuele exercitie waarbij de flexibiliteit van het ontwerp en de consumentgerichte aanpak centraal staan. Het aanvankelijk idee voor de woningen ging volgens Rohmer uit van (Airstream) campers tussen kernen. Daarbij zou een vaste kern, met daarin een pied à terre als programma, gecombineerd worden met variabele ruimtes ertussen. Hiermee werd geanticipeerd op bewoners die met hun camper ook tijdelijk elders wilden wonen. Het idee was geënt op een groeiende generatie ouderen die zeer regelmatig reist.Rohmer heeft bij dit project slim van de gelegenheid gebruik gemaakt om de zorgvuldigheid en aandachtigheid van het architectonisch object te benadrukken.

Rohmer heeft bij dit project slim van de gelegenheid gebruik gemaakt om de zorgvuldigheid en aandachtigheid van het architectonisch object te benadrukken.

Rohmer heeft bij dit project slim van de gelegenheid gebruik gemaakt om de zorgvuldigheid en aandachtigheid van het architectonisch object te benadrukken. Al vanaf de eerste schetsen van de woningen zijn de blokken, waarin elementaire functies zijn ondergebracht, een constant element in het ontwerp. In deze kern (‘ketelhuis’) zijn trappen, gangen, sanitair, berging, installaties en eventueel een keuken opgenomen. De repeterende kernen vormen ‘een programmatisch, ruimtelijk en financieel structurerend element’.
Maar anders dan deze blokken als functionele dozen te behandelen waarnaast de variatie welig tiert, heeft Rohmer ook bij deze elementen veel aandacht besteed aan de detaillering en afwerking van de gevel. Het is alsof Rohmer wil benadrukken dat passende en aansprekende woonarchitectuur niet alleen bepaald wordt door de mogelijke variaties in de indeling van de ruimte en de beschikbare vierkante meters woonoppervlak. Om dit aspect te benadrukken is gekozen voor een bekleding van leisteen gevelelementen die dakpansgewijs op de gevel zijn aangebracht. Rohmer behandelt de gevel zo bijna als een frontaal, rechtopstaand dak. In combinatie met de naastliggende gevels, die gedomineerd worden door metalen lamellen, ontstaat zo een repeterend spel van harde, horizontale lijnen en een grilliger en tactiel steenpatroon. Vooral de afwisseling van beide typen en sferen voorkomt de saaiheid van een eentonige gevel. In plaats daarvan ontstaat een repeterend patroon dat echter toch variabel is mede omdat de diepte van de woon elementen (met lamellen) per woning verschilt.
Het repeterend patroon van leisteen wordt aan de bovenzijde beëindigd met een detail waaruit zowel de aandacht voor afwerking als ook de eigenzinnigheid van de ontwerper spreekt. Door de bovenste rij leisteen met een constructieve vondst op de dakrand vast te zetten is op een even simpele als doeltreffende manier het woonblok tot een sculpturale vorm geworden. Het is door deze ingreep niet langer een functioneel blok waarin bepaalde voorziening zijn ondergebracht, maar een leistenen object geworden, een zorgvuldig gedoseerde monoliet. De herhaling van deze dakrand op de blokken accentueert het sculpturale effect nog eens extra. Rohmer logenstraft hiermee, en passant, ook nog eens de aanname dat veel seriematige woningbouw geen kansen en ruimte biedt voor detail en aandachtig ontwerp. Bovendien toont ze aan dat met een relatief eenvoudige ingreep de uitstraling en intrinsieke kwaliteit van woningbouw kan toenemen. Hoewel het project afkomstig is uit een periode waarin de financiële mogelijkheden voor (seriële) woningbouw nog ruim waren, ruimer dan nu, is dit project voor de huidige tijd een voorbeeld van hoe vakmanschap het kan winnen van louter financiële en praktische argumenten. Maar het is echter geen ontregelende en manifeste, eerder een verheffende, terughoudende ingreep waarmee dit argument kracht wordt bij gezet.

Nostalgie
Een bijna onvermijdelijk bijwerking van transformaties in het denken en handelen van een bepaalde discipline, en dat is zeker het geval bij vakmanschap en ambacht, is het ontstaan een neiging tot vervlakking en aannames bij benadering: het grosso modo-effect. In het specifieke geval van vakmanschap en ambacht komt daar ook nog eens een flinke dosis nostalgie en sentiment bij. De verwijzingen naar oude tradities en verloren gegane kwaliteiten en organisatiestructuren, tot aan de middeleeuwse gildes aan toe, zijn niet van de lucht. Een ander zijdelings effect van te enthousiast en zonder weinig voorbehoud omarmde nieuwe alternatieven is de neiging om redelijk radicaal met werk- en denkwijzen van een voorafgaande periode af te willen rekenen. In de context van de architectuur komt dit vaak neer op het afstand nemen van de concept-gerichte, strategische architectuur en de architect die denkt en werkt in een schijnbaar virtuele werkelijkheid, in plaats van een reële. De geschiedenis leert alleen dat te radicale breuken niet altijd de juiste zijn. Met betrekking tot de veranderde zienswijzen ten aanzien van vakmanschap en ambacht ligt de waarheid ergens in het midden. Naar alle waarschijnlijkheid is de aanname dat de nieuwe aandacht en het enthousiasme voor vakmanschap en ambacht wonderwel complementair kunnen zijn aan (restanten) van eerder beleden werk- en zienswijzen.

Bijvoorbeeld de vraag waar nu exact het vakmanschap van de architect in zit. In een gebouw, in de tekening/het ontwerp, in de omgang met andere partijen?

De complementaire situatie roept desondanks de nodige vragen op. Bijvoorbeeld de vraag waar nu exact het vakmanschap van de architect in zit. In een gebouw, in de tekening/het ontwerp, in de omgang met andere partijen? Of wellicht in een combinatie van al deze componenten? Ook is het de vraag of (nieuwe vormen van) ambachtelijkheid nog tot progressieve architectuur kunnen leiden. Vanwege de historisch beladen waarde van ambacht(elijkheid), de spanning tussen referenties én het zoeken naar vernieuwing is het niet waarschijnlijk dat antwoorden op deze vraag op heel korte termijn en volledig gegeven zullen worden. Het is aannemelijker dat de veranderingen meer het karakter van het zoeken en vinden van een balans tussen traditie en innovatie en tussen behouden en vernieuwen zal zijn.

Kritisch terracotta (De Zeester, Noordwijk)
De 275 ronde kijkgaten met schaalvormige kozijnen van terracotta aan de gevel van De Zeester, een woonzorgcentrum voor verstandelijke gehandicapten in Noordwijk, zijn zowel een sculpturaal gevelpatroon als een duidelijk commentaar en reactie op de generieke eenvormigheid en de materiaal- en ideeënarmoede in de bouw. Dit detail van keramische kijkgaten lijkt meer creativiteit en vindingrijkheid in de architectonische detaillering te willen uitdagen. Dat de rozetten bovendien met de hand zijn geproduceerd door de verstandelijk gehandicapten die gebruik maken van het gebouw mag ook als een veelzeggend aspect worden beschouwd. Door de handmatige productie verschillen de rozetten heel licht qua kleur en vorm van elkaar. Door die onregelmatigheid wordt het effect van monotonie en te eenzijdige herhaling voorkomen. Rohmer kaart in dit ene gebaar zowel het verlies van specifieke ambachtelijkheid in de hedendaagse bouwcultuur als het gebrek aan betrokkenheid van eindgebruikers aan. Beide signaleringen komen samen in de handmatig, ambachtelijk en niet-professioneel gefabriceerde rozetten die de rijkdom en eigenheid van deze onderdelen onderstrepen.

De gevel krijgt hierdoor, naast zijn traditionele functie, ook die van uithangbord en semi-logo voor ambachtelijke, architectonische detaillering. Net als bij de woningen in de Almeerse Eilandenbuurt levert Rohmer hier zowel een bijdrage aan de discussie van de voortdurende verschraling en verdwijnend vakmanschap in de bouw, als ook een bewijs dat met een relatief eenvoudige ingreep een substantiële verrijking en individualisering van de vormtaal bereikt kan worden. De Zeester levert daarnaast ook kritiek op de generieke stijlkenmerken van veel hedendaagse Nederlandse architectuur. Die kritiek wordt echter niet geleverd in de context van een gebouw dat daar qua beschikbaar bouwbudget veel ruimte voor biedt. Het siert Rohmer dat ze die kritiek laat zien bij een relatief eenvoudig (utilitair) gebouw met een algemene functie. Daarmee is de kans op resonantie in het vakgebied immers veel groter dan wanneer iets vergelijkbaar was gedaan bij, bijvoorbeeld, een exorbitante, kostbare en exclusieve villa. Die specifiek context zou ontregelend zijn en de waarde van het commentaar hoogstwaarschijnlijk ondermijnen.

Daarmee zouden de kracht van de vondst en de, aan het gebouw gelinkte, meerwaarde op slag verminderen.

De verfijning van de gevel heeft tot een harmonieus en markant gedetailleerd en daarmee herkenbaar gebouw geleid. Qua vormdetail en materiaal wordt hier een trefzeker en duidelijk statement van uniciteit en authenticiteit gemaakt. Het zijn een keuze en toevoeging die zeker ook niet, bij bijvoorbeeld een ander gebouw van Rohmer, herhaald hadden moeten worden. Daarmee zouden de kracht van de vondst en de, aan het gebouw gelinkte, meerwaarde op slag verminderen. Het illustreert dat de ambachtelijkheid van Rohmer bij dit project vooral verbonden is met het unieke, eenmalige en het persoonlijke (door de betrokkenheid van de eindgebruikers bij de detaillering). Dat is wellicht een clichématige constatering en waarheid in de context van ambachtelijkheid, maar het onderstreept wellicht vooral de achtergrond van een vergaande veralgemenisering van de architectuur én van het denken en handelen in stijlen en scholen waartegen deze architectuur zo duidelijk afsteekt.
Met het aanbrengen van de rozetten laat Rohmer verder ook zien dat er relatief weinig voor nodig is om een onderscheidende vorm van sculpturaliteit te bereiken. Dit statement is er dus niet een dat van de daken wordt geschreeuwd; niet een overstatement. In plaats daarvan is gekozen voor een eenvoudig materiaal dat op een afwijkende manier is vormgegeven. De verkregen sculpturaliteit wordt wel versterkt door het gebruik van een glanzende glazuurlaag die niet in kleur maar in textuur voor een contrast zorgt met de doffe baksteen van de resterende gevel. Het ton-sur-ton-effect van glazuur en baksteen roept bovendien ook associaties op aan de wijze waarop sommige architecten van de Amsterdamse School vormgaven. De Zeester lijkt in dat opzicht opeens verre familie van de gevels van Michiel De Klerk aan de Amsterdamse Vrijheidslaan. Rohmer bedient zich hier echter niet van de truc van een plat stijlcitaat. Het ontwerp lijkt zich eerder te koesteren aan het aura van deze beroemde architectuur en te spiegelen aan de vermaarde zorgvuldigheid waarmee de architecten van deze school aan details werkten. De mate waarin de Amsterdamse School zich verloor in het vormgeven van bijna futiele onderdelen van gevel keert als echo terug in Noordwijk. Ook hier lijkt de functionaliteit van het detail ondergeschikt aan de sculpturale kwaliteit. Dat het hier om raamopeningen gaat is eigenlijk ondergeschikt aan het sculpturale effect dat nagestreefd wordt.

Inventief
In het werk van Architectenbureau Marlies Rohmer is de wens tot vakmanschap en ambachtelijkheid vooral in het maakproces zichtbaar. Het toont zich, volgens het bureau zelf, bijvoorbeeld in zowel de wens om met opdrachtgevers en gebruikers aan een integraal project te werken, als in het streven om een ontwerp zo goed mogelijk te laten reageren op een bestaande context. De aandacht voor het maakproces is echter ook waarneembaar bij het zorgvuldig materialiseren en detailleren van ontwerpen én in de wens om vakmanschap en ambachtelijkheid te vertalen in kennis en zorgvuldigheid. Uit deze redelijk brede en relatief vrije interpretatie van de begrippen spreekt een duidelijke behoefte om zich niet te laten betrappen op ongepaste nostalgie of een te stugge dogmatische houding ten opzichte van zowel de veranderingen als de ziens- en denkwijzen die vakmanschap en ambachtelijkheid volgens zo velen aan het aflossen zijn. Typerend en karakteristiek is hier wellicht ook de wijze waarop Rohmer zelf, in relatie tot het gebruik van baksteen in haar werk, zegt dat ze niet of nauwelijks gehinderd wordt door vakkennis. Hoewel deze stellingname mogelijk bedoeld is als rookgordijn, ontneemt het niet het zicht op een architect die bij voortduring de relatie met het maken verkent. Vanuit een zelf gecreëerde en geformuleerde positie binnen het vak en de discussie over dit thema houdt Rohmer op deze manier veel, zo niet alle, opties open. Kortom, bij Rohmer toont ambachtelijkheid zich op een buitengewoon pragmatische, flexibele en inventieve wijze.

Prefab vakmanschap (Bloemhof, de Intense Stad, Groningen)
Bij de detaillering van De Zeester in Noordwijk maakt Rohmer dus dankbaar gebruik van de magie van speciaal gemaakte, niet seriematige details. Zo ontstaat al snel de associatie met unica, zoals die zo typerend zijn bij designobjecten of bijzondere aardewerken objecten. Maar geheel in de lijn van de inventieve zoektocht naar (ambachtelijke) maakprocessen verlengt Rohmer die met het project Bloemhof net zo makkelijk naar seriematige prefab elementen. Gezien de genoemde historische referenties die vaak opspelen bij (de discussie over) ambachtelijkheid én het door Rohmer toegepaste specifieke karakter van de vorm, materiaal en wijze van integreren in een project, is dit een verassende stap. Prefab productie en materialen ontkennen immers, haast per definitie, de kwaliteiten van ambachtelijkheid. In die context domineren juist de tegenpolen van het ambachtelijk maken en produceren: efficiëntie, doelmatigheid en seriële productie. Het is daarom des te opmerkelijk om vast te stellen dat de prefab gevel elementen bij de Groningse Bloemhof, ondanks hun productiewijze, wel degelijk een sculpturale, zorgvuldige en tactiele uitstraling en voorkomen hebben. Hier is met industriële, en minder tijdrovende en kostbare, technieken, op een eigentijdse manier toch het ‘rijke gevoel’ van vroeger opgeroepen. Opmerkelijk, omdat de metselwerk-elementen, die de gehele gevel bekleden, niet alleen een voorbedacht patroon en reliëf, maar ook een voorbedacht productieproces hebben. Die productie is inderdaad efficiënter en door het vervoeren van pasklare onderdelen naar de bouwplaats ontstaat bovendien minder afval op de bouwplaats zelf. Ook is er door de keuze voor dit procedé sprake van minder energieverbruik voor bewerking en transport.
Het bijzondere van dit artificiële huwelijk tussen efficiënte en ambachtelijkheid is dat de laatste blijkbaar ook bedacht en voor geproduceerd kan worden zonder zijn glans (geheel) te verliezen. Natuurlijk hebben de prefab-elementen een ander ritme en mate van tactiliteit dan de leistenen tegels in Almere of de rozetten in Noordwijk. Eigenlijk is vooral de maat van de ambachtelijkheid hier veel groter, maar daarom niet minder sprekend. Er is zeker ook minder ruis en onderscheidende grilligheid, maar toch is het materiaal nog steeds overduidelijk gemaakt en geconstrueerd.

Prefab productie en materialen ontkennen immers, haast per definitie, de kwaliteiten van ambachtelijkheid.

Rohmer heeft bij de Bloemhof eigenlijk een gecalculeerd risico genomen. Ze heeft namelijk voor een belangrijk deel vertrouwd op de ambachtelijke en de, door de bouwgeschiedenis ondersteunde, uitstraling en zeggingskracht van baksteen. Baksteen als materiaal ademt immers voor een belangrijk deel handmatige constructie (metselen) en een bepaalde vorm van ambachtelijkheid. Baksteen is vanzelfsprekend ambachtelijk. Veel meer dan bijvoorbeeld beton. Juist dat specifieke aura van baksteen heeft Rohmer hier met enig lef opgerekt. En met succes want door het materiaal wordt de seriematigheid van deze gevel elementen zodanig verzacht dat het ambachtelijk karakter zich (alsnog) sterk en overtuigend manifesteert.
Maar nog meer dan deze ‘truc’ om ambachtelijkheid en seriematigheid aan elkaar te koppelen heeft Rohmer met de Bloemhof een andere belangrijke stap gezet. Een volgende stap namelijk in de ontwikkeling van sprekende details (‘details parlante’) in het zich voortdurend ontwikkelende oeuvre van haar bureau. Met de Bloemhof bekrachtigd Rohmer bovendien haar inventiviteit en nieuwsgierigheid op het gebied van ambachtelijk maken. Met dit project zet ze nadrukkelijk de deur nog verder open voor verdere en nog onbekende kruisbestuivingen tussen ambachtelijkheid nieuwe stijl en innovaties op het gebeid van productie en ontwerp van materialen. Ambachtelijkheid in de handen van Rohmer is met recht dynamisch en onvoorspelbaar te noemen.

0 reacties