06 - 26348903 jajaberg@xs4all.nl

Beton en porselein. Bij het verdwijnen van De Paviljoens

Artikel in tijdschrift Metropolis M naar aanleiding van het verdwijnen van Museum De Paviljoens
project

In memoriam: De Paviljoens

thema's

Leestijd Bergplaats

Echt verbaasd kan men eigenlijk niet zijn over het aangekondigde verdwijnen van Museum De Paviljoens. In fysieke zin was het tijdelijke bestaan van het ensemble immers van meet af aan ingecalculeerd. Al bij het plaatsen van de Aue-paviljoens, afkomstig van Documenta IX (1992), in Almere in 1994 was de korte bestaansduur van de gebouwen bekend én kleurde dat het concept van de invulling van het gebouw. Ook bij de verzelfstandiging van De Paviljoens in 1998 werd de tijdelijkheid van het gebouwencomplex nog eens bevestigd en werd er een concrete einddatum, 2004, genoemd.

Het gebouw is voor De Paviljoens altijd een inspiratiebron en vehikel geweest om de algemene discussie te voeden over de vorm die een flexibel museummodel kan aannemen. Diverse tentoonstellingen, zoals Ambitie! Boven het maaiveld van de stad (1999) en De Stedelijke Conditie (2006), maar ook het symposium Almere: Poldergeist in Museumland (1999) verhielden zich op verschillende wijze met dit uitgangspunt én met de vraag welk museummodel passend was bij (de ontwikkeling van) een jonge polderstad. Nog concreter omtrent de betrekking tussen gebouw, plek en stad waren de twee Site2F7-festivals (2008, 2009) waarbij het museum letterlijk de ruimte om het gebouw als onderwerp en basis nam voor reflectie op kunst en de samenleving en ruimtelijke kwaliteit van een nieuwe stad.

De negentien jaar dat het museum actief is geweest is het een belangrijke en constante factor geweest in het gestaag, maar schoksgewijs groeiende cultuuraanbod en het en soms grillige cultuurbeleid in de jonge stad.

In een publicatie uit 2004 ter gelegenheid van het twaalfjarige jubileum van het gebouwencomplex herhaalde directeur Mascha Roesink het credo van het museum. Volgens haar moet het museum, om als podium voor actuele ontwikkelingen mee te kunnen groeien in zijn beoogde dubbelrol als presentatieplek van cultureel erfgoed én als productiehuis, een flexibele behuizing voor de veranderende actuele ideeën van kunstenaars zijn.[1] Dat die tijdelijkheid en flexibiliteit, niet te verwarren met mobiliteit, goed aansluiten bij de groeistuipen en culturele ontwikkeling van Almere maken het gekozen concept natuurlijk alleen maar sterker. De negentien jaar dat het museum actief is geweest is het een belangrijke en constante factor geweest in het gestaag, maar schoksgewijs groeiende cultuuraanbod en het en soms grillige cultuurbeleid in de jonge stad. Daarbij balanceerden de verhoudingen tussen De Paviljoens en de gemeente voortdurend ergens tussen welwillend goed en bedenkelijk slecht. De leiding en het bestuur van De Paviljoens is te prijzen dat ze zich in die periode niet of nauwelijks hebben laten verleiden tot (het meedoen aan) grootschalige en te ambitieuze vergezichten over de mogelijke toekomst van het instituut, hoewel de bomen in de achtertuin bijna letterlijk tot de hemel groeiden met de ontwikkeling van het nieuwe stadshart naar ontwerp van Rem Koolhaas. Wat niet wil zeggen dat de ontwikkelingen met meer dan gemiddelde belangstelling werden gevolgd, zeker als die henzelf betroffen. Aan De Paviljoens is een wonderbaarlijk, kleurrijke parade aan luchtkastelen en museale stokpaardjes voorbijgekomen. Soms waren het beoogde aanvullingen op het bestaande culturele aanbod in Almere, soms was er een rol of deelname van De Paviljoens in voorzien. Bij vrijwel alle voorbeelden was het overduidelijk dat Almere driftig op zoek was naar een uitbreiding van het cultuuraanbod. En nog belangrijker, dat die uitbreiding gekoppeld moest worden aan een nieuw te bouwen gebouw, bij voorkeur in of nabij het nieuwe stadshart. Een vanzelfsprekendheid die hoorde bij de gestage en zichtbare groei van deze nieuwe stad.

Zo was er Site (2001), ‘een instituut waar multidisciplinaire manifestaties zullen plaatsvinden rond universele thema’s met kunst uit alle delen van de wereld’. Ook deed Almere in 2007, samen met wat andere ambitieuze steden, tevergeefs een gooi naar het Nationaal Historisch Museum. Van recenter datum was de poging van de gemeente, in 2010/2011, om de kunstcollectie van bankier non grata Dirk Scheringa naar de stad te halen. Tussendoor was er in 2009 op verzoek van het college ook nog een onderzoek door Rudi Fuchs naar een concept voor een ‘nieuwe museale voorziening in het stadshart van Almere’.[2] Fuchs kwam met het idee van een museum dat zich zou moeten richten op architectuur, geschiedenis en kunst van de nieuwe stad. ‘Musea voor moderne kunst bestaan er al genoeg’, aldus Fuchs destijds bij een persconferentie. Cultuurwethouder Visser prees de plannen van Fuchs als ‘vernieuwend, eigentijds en spannend’.[3] Het idee kreeg als werktitel Museum De Stad mee en voorzag in het samenbrengen van drie instellingen: Museum De Paviljoens, het Stadsarchief en het International New Town Institute (INTI). Directeur Roesink liet zich namens De Paviljoens positief uit over het concept van Fuchs en keek, met veel anderen, met belangstelling uit naar de aangekondigde tentoonstellingen die ‘de aard van het museum’ verder zouden gaan verhelderen. Daar kwam echter niets van terecht en twee jaar later maakte de gemeente Almere bekend dat ook deze plannen voorlopig in de ijskast werden gezet. Dit vanwege andere bestuurlijke prioriteiten en noodzakelijke bezuinigingen.

De studie van Fuchs, of beter de aanleiding ertoe, had echter een fundamentele en een voor De Paviljoens cruciale oorsprong. Het college kondigde namelijk in 2008 aan het museum nog voor de duur van de voorlaatste cultuurnota, dus uiterlijk tot 2013, open te willen houden. Maar in de periode 2009-2012 zouden de inhoud en de functies moeten opgaan in een nieuw museum in het stadshart van Almere.[4] Extra complicerend voor De Paviljoens werd het met de verwarrende beoordeling van de Raad voor Cultuur in mei 2012. In haar Cultuurnota 2013-2016 prees de Raad het museum enerzijds om zijn hoogwaardige niveau (‘een van de zes beste presentatie-instellingen van het land’) om het vervolgens geen subsidie meer toe te kennen omdat het onvoldoende in staat bleek om aan de eigen inkomstennorm van het ministerie van OCW te voldoen. Waarschijnlijk heeft het een rol gespeeld dat de gemeente de facto het einde van De Paviljoens in 2009 in haar cultuurnota had aangekondigd. Voor sponsors is het niet verleidelijk om zich te verbinden aan een dergelijk ongewis scenario. In het oordeel van de Raad is dit ook terug te lezen.

Museum De Paviljoens had een eigen betekenis die, naar gelang de heersende politieke wind, meer of minder gewaardeerd werd.

De genoemde wensen en ambities van de gemeente voor een nieuwe formule, in plaats van of in samenwerking met De Paviljoens, werden eind 2009 nog eens herhaald in de invloedrijke verkenning door Bert van Meggelen, gemaakt in opdracht van de gemeente, naar de haalbaarheid van Almere als culturele hoofdstad in 2018. Het wensbeeld bestond onverminderd uit een nieuw museum dat op de lange termijn zou moeten bijdragen aan de aantrekkelijkheid van het nieuwe stadshart, maar ook passend zou moeten zijn bij de gewenste toekomstige status van belangrijke kunst- en cultuurstad voor de gehele provincie Flevoland en de regio Amsterdam. Voor alle duidelijkheid, al die kwaliteiten herkende het gemeentebestuur dus niet of onvoldoende in de vorm en het beleid van De Paviljoens. Museum De Paviljoens had een eigen betekenis die, naar gelang de heersende politieke wind, meer of minder gewaardeerd werd. Het museum werd herhaaldelijk om de oren geslagen met haar vermeende falen om aansluiting te vinden bij de Almeerse samenleving. Het zou een te elitair en hoogdrempelig tentoonstellingsbeleid voeren.

Meest concreet en bedreigend werden de ontwikkelingen eind 2006, toen het college bij monde van wethouder Smeeman (VVD) voorstelde de subsidie aan De Paviljoens met maar liefst 45 procent te korten én om de huisvesting van het museum in 2009 te slopen. Het voorstel werd gesteund door de toenmalige gemeenteraad maar riep verder veel weerstand op, in Almere, maar ook en vooral in de rest van Nederland. Door de eigen achterban en de kunstwereld effectief te mobiliseren, inclusief steunbetuigingen van acht voormalige Almeerse cultuurwethouders, kon het naderende onheil destijds nog maar net worden afgewend. Onderdeel van de gemeentelijke visie, destijds, was dat het museum op termijn, dus na de beoogde sloop in 2009, zou opgaan in een nieuw museum over architectuur, cultuur en geschiedenis, zoals ook Fuchs later voorstelde.

De eerdere kritiek keert in de meeste recente gemeentelijke cultuurnota weer terug. Daarin wordt, in zijn algemeenheid, vastgesteld dat bij cultuur in Almere de vraag en het aanbod niet naadloos op elkaar aansluiten.[5] En Museum De Paviljoens haalt zijn porseleinen jubileum niet; het wordt definitief beëindigd verklaard. Het hoogst haalbare op dit moment lijkt het integreren van De Paviljoens in een nieuw concept, ‘HaC Almere: een hectare cultuur’, voor de invulling van het bestaande gebouw De Kunstlinie. Het gebouw, ontworpen door het Japanse bureau SANAA, maakt deel uit van het masterplan van OMA voor het stadshart en bood tot voor kort onderdak aan het theater en het Kunstencentrum (voorheen CKV). Volgens de huidige plannen moet De Kunstlinie transformeren tot een cultuurhuis waar een aantal bestaande instellingen de huisvesting en overhead gaat delen, maar ook gaat samenwerken en tot disciplineoverstijgende cross-overs dient te komen. Dat de gemeente waarschijnlijk in zijn maag zit met een duur gebouw dat op dit moment te weinig bezoekers trekt, wordt voor het gemak niet genoemd. Naast een financieel en inhoudelijk uitgekleed Museum De Paviljoens heeft de gemeente ook het architectuurcentrum CASLa en het International New Town Institute benaderd en voor-gemasseerd als mogelijke partners.

Voor de goede verstaander is dit plan niets minder dan een bewerking van het voorstel van Fuchs, waarin ook een vergaande samenwerking van bestaande instellingen in één museum werd voorgesteld. De glans van een nieuw museum is nu echter vervangen door pragmatisme, de noodzaak tot bezuinigen en onderbenutting van een pas gebouwde cultuurtempel en beoogd cultureel paradepaard. De ambities zijn echter gebleven. Nog steeds gaat de gemeente uit van een groei van de stad naar 350.000 inwoners in 2030 en nog steeds moet de stad op cultureel niveau een inhaalslag maken. ‘Het culturele profiel van Almere in 2030 is dat van een eigenzinnig ‘continu laboratorium’ dat de kwaliteiten van (grote) steden in de regio complementeert.’[6]

Het lijkt erop dat het geloof in de maakbaarheid in beton die de stad heeft gemaakt tot wat hij nu is wordt ingeruild voor het geloof in de aanstuurbaarheid van de inhoud.

Er zijn ook nieuwe ambities. Cultuur in Almere zal volgens de gemeente in toenemende mate dichtbij de bewoners staan, die gezien worden als medeproducenten. Dit nadrukkelijk in plaats van een ‘ver-van-mijn-bed-show van klassieke instituten’.[7] De gemeente gaat zich ook in artistieke zin met het cultuurbeleid bemoeien. Thorbecke wordt in de plannen opnieuw geïnterpreteerd en op basis daarvan is een langetermijnvisie geformuleerd en worden organiserende acties door de overheid niet geschuwd. Het klinkt zelfs wat dreigend wanneer er staat: ‘We steunen de kunstuitingen die op een breed maatschappelijk draagvlak kunnen rekenen en bijdragen aan doelen die wij als gemeente stellen.’[8] Het lijkt erop dat het geloof in de maakbaarheid in beton die de stad heeft gemaakt tot wat hij nu is wordt ingeruild voor het geloof in de aanstuurbaarheid van de inhoud. Het idee van een bouwbare cultuur is vervangen door dat van controleerbare cultuur. Het neigt, links- of rechtsom, sterk naar een vorm van paternalisme die, hoe dramatisch de wereld om ons heen ook veranderd, hoe drastisch de budgetten ook zijn gekrompen en hoe gefrustreerd de gemeente ook mag zijn over de (snelheid) van culturele ontwikkeling in de stad, op zijn minst discutabel zijn. Zelfs in de context van een jonge stad als Almere, met alle onzekerheden en overactieve zoek-modi, is een dergelijk bemoeizuchtig aansturen van een element in de samenleving dat juist inhoudelijke vrijheid behoeft niet goed. Het verstevigt de invloed van de politiek en demotiveert de (huidige en toekomstige) inhoudelijke betrokken instellingen. Het is al met al een wat vergaande interpretatie van een, overigens door de gemeente zelf geciteerde, constatering van Bert van Meggelen in zijn eerdere onderzoek: ‘De passie voor het maken van de hardware van de nieuwe stad Almere heeft de software (het ‘mensen maken de stad’) naar de achtergrond gedrongen.’[9]

Museum De Paviljoens heeft er in ieder geval niets meer aan. De tragiek druipt van het dossier af. De altijd ingecalculeerde beëindiging van het gebruik van het gebouwenensemble, valt nu samen met een beleidswijziging van de gemeente waarbij een nieuw gebouw onbespreekbaar is én waar men niet per definitie wil vasthouden aan instituties. Terwijl het museum juist door het wegvallen van de rijksbijdrage en het uitblijven van de eigen inkomstennorm verder in de armen van de gemeente is gedreven.

Dat het museum ontstaan is uit en zich voortdurend heeft beziggehouden met vragen over de vorm die een flexibel museummodel kan aannemen wordt vergeten. Want er waren natuurlijk wel degelijk gedachten, ideeën en verwachtingen over de stappen die genomen zouden kunnen worden nadat het gebouwencomplex definitief afgeschreven zou zijn. Er was daarbij één fundamentele constante. Namelijk dat de gedachten die vanuit de ontwikkeling en het bestaande beleid in het museum werden ontwikkeld uitgingen van het behoud of van de verdere ‘veredeling’ van het concept. De reflectie ging vrijwel onophoudelijk over het programma en de inhoud in relatie tot de stad en de rol en plek van de kunst in de samenleving. Of zoals Bart De Baere (samen met Jan Hoet geestelijk vader van het gebouwencomplex) het in 2004 treffend verwoordt: ‘Het zet zich als een snee. (…) Zo biedt je de mogelijkheid om een complexiteit te scheppen, in plaats van een soort geschiedsloze voorstad te hebben.’[10] Het is belangrijk om vast te stellen dat het hierbij telkens ging om de tijdelijkheid van de huisvesting, en niet om die van het instituut. Het museum gaf zelfs concrete voorzetten die op de ruimtelijk en sociale ontwikkeling van de stad reageerden. Voorzetten, zoals het Tijdelijk Museum Almere (2010) dat zich nestelde tussen de vrije kavels van het Homeruskwartier in Almere Poort of de Site2F7-festivals, die gingen over tijdelijkheid, groei, fragmentatie, (sociale) samenhang en over de mogelijke rol die kunst daarin kan spelen. Het is jammer dat de gemeente de resultaten en inzichten die negentien jaar experimenteren door Museum De Paviljoens hebben opgeleverd nagenoeg niet op waarde weet te schatten. Het zou zo mooi zijn als dit monument, deze specifieke, opgebouwde culturele geschiedenis en nieuwstedelijk erfgoed, met wat meer trots zou worden bejegend. Juist in een stad waar nog relatief weinig geschiedenis bestaat en waar de waardering voor historie en cultuur nog in de groeifase is.

People can only deal with the fantasy when they are ready for it. De Paviljoens 2001-2012, Museum De Paviljoens, Almere

[1] Mascha Roesink (red.), Alon Levin (concept/ontwerp), De Paviljoens: Logboek van een gebouw 1992-2004, Museum De Paviljoens, Almere 2004, p. III

[2] Zie: Jolien Verlaek, ‘Meer dan alleen kunst. Almere centraal in Museum De Stad’, in: www.metropolism.com, 24 april 2009.

[3] Zie: ‘Nieuw museum over stad’, in: www.dichtbij.nl, 24 april 2009, en Rutger Pontzen, ‘Museumplannen Fuchs krijgen definitief vorm’, De Volkskrant, 21 april 2009.

[4] Gemeente Almere, ‘Stad met verbeelding. Cultuurnota 2009-2012’, Almere 2008.

[5] Gemeente Almere, ‘Cultuurbrief 2013-2016. Modern, zelfbewust, toegankelijk’, Almere 2013.

[6] Gemeente Almere, ‘Cultuur 2.0. Een visie op cultuur in Almere in relatie tot de groeiopgave’, uitgave in kader van Rijks-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (RRAAM), Almere, december 2012.

[7] Zie noot 5.

[8] Idem.

[9] Bert van Meggelen, ‘Almere 2018!? Een verkenning van kansen en betekenissen’, Almere 2010, p. 18.

[10] Zie noot 1, p. 44.

0 reacties