06 - 26348903 jajaberg@xs4all.nl

The architect has left the building

Essay voor het Jaarboek Architectuur in Nederland 2010-2011 over de gevolgen van de economische crisis voor het vakgebied en mogelijke reacties daarop
project

Jaarboek Architectuur in Nederland

thema's

Leestijd Bergplaats

Dat architecten de voorbije jaren veel vertrouwde grond onder hun voeten hebben zien verdwijnen, mag inmiddels als bekend worden beschouwd. Door alle negatieve ontwikkelingen en de daardoor opgeroepen onzekerheden over de (toekomst) van de professie krijgt de situatie, in de ogen van zwartkijkers, zelfs trekjes van een teloorgang. De uitkomsten van de ingezette veranderingen kunnen, volgens sommigen, mogelijk zelfs historische proporties aannemen. In de huidige nasleep van de economische crisis wordt immers ook steeds meer zichtbaar dat veel van de verworvenheden en status van architecten misschien toch niet zo vanzelfsprekend zijn als lang werd gedacht. Zo stelt architectuurcriticus Hans Ibelings onomwonden dat we inmiddels moeten gaan accepteren dat we aan het einde van een tijdperk zijn aanbeland. De architect die sinds de negentiende eeuw onderdeel was van een burgerlijke samenleving en daarbinnen een almachtige ontwerpvisie ambieerde en toebedacht kreeg, gaat, in zijn ogen, langzaam maar zeker tot de geschiedenis behoren. Architecten moeten, volgens Ibelings, gaan beseffen dat hun sindsdien verworven professionele status weliswaar niet plotsklaps zal verdwijnen, maar wel drastisch herijkt dient te worden. Willen ze tenminste op een of andere manier overleven.[1]

Afgezien van de juistheid van deze historisch getinte duiding van de stand der dingen is er sprake van een evidente onzekerheid over de positie van het vak en de architect. Die wordt zowel geflankeerd als gevoed door een lange reeks doemberichten over ontslagen, geannuleerde of uitgestelde opdrachten, double dips, bezuinigen bij de overheid en natuurlijk de aanhoudende malaise in de bouw. Ook wordt de malaise, vrijwel vanaf haar ontstaan, begeleid door regelmatige publicaties van cijfers en statistieken die de zorgelijke toestand van de ‘patiënt’ moeten aantonen. De cijfers worden onafgebroken verstrekt door gerenommeerde instituten als het CBS en het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). Ook de eigen architectenbond BNA zoekt regelmatig de publiciteit met persberichten of bij monde van haar voorzitter voor een update van de weer verslechterde condities van het vakgebied. Maar het zijn vooral die cijfers en statistieken die ingezet worden om te illustreren welke gevolgen de crisis heeft, in welke richting ze zich beweegt of op welke terreinen een voorzichtig herstel te verwachten is. Het klinische karakter van de cijfers ontneemt echter het zicht op kleinere en grotere drama’s die zich ongetwijfeld op een meer persoonlijk niveau afspelen.

Een van de gevolgen van deze wat technocratische omgangsvorm is dat de crisis in de architectuur eigenlijk, dik twee jaar in haar bestaan, nog nauwelijks een gezicht heeft gekregen

Een van de gevolgen van deze wat technocratische omgangsvorm is dat de crisis in de architectuur eigenlijk, dik twee jaar in haar bestaan, nog nauwelijks een gezicht heeft gekregen. De aftakeling van het vak heeft, zo gezien, misschien nog wel de meeste overeenkomsten met een goed georganiseerde terugtrekking van troepen. Van paniek, muiterij of rebellie in het zicht van de nederlaag of zelfs capitulatie is eigenlijk nauwelijks sprake. Zou die groepsdiscipline aangeleerd zijn tijdens de opleidingen? Of hebben architecten een hoogontwikkeld vermogen tot opportunisme? Behoren ze tot het type dat zelfs bij de ergste tegenslag nog kan terugvallen op een onwrikbaar vertrouwen op een rooskleurige toekomst en kan wijzen op de tijdelijkheid van het ongerief. Of zijn architecten toch veel flexibeler dan hun exacte vak zou doen vermoeden?

Aanvankelijk leek het er overigens op dat het eerste faillissement als gevolg van de creditcrisis, van EEA (Erick van Egeraat associated architects), de crisis een gezicht zou gaan geven. Dat niet in de laatste plaats vanwege de acte de présence waarvan de naamgevende architect zich graag bedient. De ondergang van dat bedrijf, in het begin van 2009, sprak waarachtig tot de verbeelding en veroorzaakte een schokgolf in de branche.[2]

Ook de ontwerplabs van Liesbeth van der Pol leken even de menselijke factor achter de crisis te gaan verbeelden. Het beeld van jonge, werkloze architecten die publiekelijk hun best doen om aan te tonen dat ze wel degelijk visies hebben en een nieuwe kans willen krijgen, doet het natuurlijk goed. Maar inmiddels is toch echt wel vast te stellen dat rond de malaise, naast de genoemde stroom aan klinische cijfers, deels een sfeer van discretie en ietwat omfloerst gedrag hangt. Vooral in relatie met de situatie van het eigen bureau of de persoonlijke positie uit men zich ofwel in een gelatenheid alsof men al tijden wist dat dit er zat aan te komen of in blijmoedige relativeringen van een gekrompen orderportefeuille. Een vergelijkbare analyse van de situatie bracht Broekbakema er jongstleden oktober toe om de relatieve stilte rond de vele ontslagen in de sector te willen doorbreken.[3] De stilte had volgens het bureau te maken met de onwil van veel collega’s om de vuile was buiten te hangen Te veel publiekelijk beleden pessimisme zouden de toch al schaarse opdrachtgevers zomaar kunnen afschrikken. Overigens viel niet helemaal uit te sluiten dat genoemde actie zelf toch ook een publiciteitspoging was om in beeld te komen bij, onder andere, diezelfde opdrachtgevers. De sector, zo lijkt vastgesteld te moeten worden, lijdt dus strategisch in gepaste stilte. Althans, daar waar het een directe relatie tussen personen, bureau, omzet en crisis betreft.

Over de exacte duiding van de crisis of over de te kiezen strategie om uit de dip te geraken, heerst in alle gevallen veel minder conformisme

Wanneer het accent verschuift naar een meer algemene discussie over de status van de branche, het vak en de positie van de architect verandert de toon. Dan manifesteert zich niet zelden een zekere mate van openlijk getoonde onrust en onduidelijkheid. De crisis toont zich dan als een evidente aanleiding tot verwarring. De architect toont op dit algemenere niveau wél zichtbare twijfel over de te kiezen tactieken en eventuele ontsnappingroutes. Maar de houding heeft tijdens veel discussies en debatten ook vaak de schijn van een vlucht naar voren. Over de exacte duiding van de crisis of over de te kiezen strategie om uit de dip te geraken, heerst in alle gevallen veel minder conformisme. Bovendien wordt die twijfel ook openlijk tijdens debatten geuit en gaat dat niet zelden gepaard met bezieling.

Debatten vervullen daarbij evenredig aan de intensiteit van de crisis de functie van graadmeter. Gelatenheid is niet bepaald de emotie die dan prevaleert. Dat bleek ook het voorbije jaar bij diverse bijeenkomsten waar de status en de vitaliteit van het vakgebied werden ter discussie stonden. Drie specifieke voorbeelden illustreren op verschillende wijze voor welke variaties wordt gekozen en in welke toonaarden dat gebeurt.

Allereerst was er de door het Nederlands Architectuurinstituut georganiseerde serie lezingen en debatten in het kader van zijn eerder afgekondigde meerjarige missie ‘Architectuur als Noodzaak’. Daarin wordt, nadrukkelijk vanuit de huidige crisis, een beroep gedaan op ‘het innovatieve vermogen van het ruimtelijke ontwerp’ en wordt gestreefd ‘naar een verschuiving van een reactieve naar een proactieve ontwerppraktijk’.[4] Om tot een gewenste herpositionering van het vak te komen, zegt het NAi het oplossingsgerichte potentieel van de architectuur min of meer voor kennisgeving aan te nemen. Waar het volgens het instituut vooralsnog aan ontbreekt, is ‘een effectieve uitvoering door de beslissers’. Aan de hand van subthema’s, zoals waardecreatie en de nieuwe ambachtelijkheid, passeerden gedurende een aantal avonden veel zinnige en inspirerende gedachten en praktijkvoorbeelden van ontwerpers met een visie de revue. De ambities en inhoudelijke vergezichten stapelden zich daarbij, bijna als vanzelfsprekend, op.[5] Wellicht dat design-goeroe en visionair provocateur John Thackara met zijn bijdrage, mede naar aanleiding van het verschijnen van de Nederlandse uitgave van zijn boek Plan B, daarbij de kroon spande.[6] In navolging van die uitgave pleitte Thackara er, onder andere, voor dat (toekomstige) architecten niet langer uitsluitend gefocust moeten zijn op bouwen. In plaats daarvan moeten zij actief op zoek gaan naar (vaak kleinschalige) opgaven en uitdagingen, die in zijn ogen in overvloed aanwezig zijn. Opgaven, overigens, die in veel gevallen niet leiden tot een materieel eindresultaat (gebouw), maar daarom niet minder creatief, noodzakelijk en intensief zijn. Architecten moeten, zo bepleit Thackara, ‘Start to reconnect to how we have done things in the world before we started to build on it’. Bij dat onconventionele pleidooi vormen duurzaamheid, transformatie en sociaal engagement vanzelfsprekend cruciale elementen. In het licht van het huidige crisisgevoel onder architecten is het goed denkbaar dat dit soort intellectuele schetsen, met een zowel hoog ethisch als utopisch gehalte, vooral een wat bedwelmde uitwerking hebben. Architecten worden in de waan gebracht dat ze, mits ze de juiste keuzes maken, wel degelijk een verschil kunnen maken en zelfs de wereld kunnen verbeteren. En bouwen is daar niet eens voor nodig! Natuurlijk is er niets mis met een flinke stoot idealisme zo nu en dan. Maar de vraag rijst op welke wijze dit soort bespiegelingen zich nu verhoudt tot de feitelijke crisis is het vak. Eigenlijk is dit type presentaties van alledag. Dat er in dit geval vooral de constatering van een inhoudelijke crisis in het vakgebied aan ten grondslag ligt, doet eigenlijk minder ter zake. Anders gesteld, mensen van het kaliber Thackara kunnen ook schitteren zonder een crisis op de achtergrond. Het zijn bijeenkomsten waar vanuit een missie wordt gepredikt en waar zelfvertrouwen wordt getankt.

Het debat dat, onder de titel ‘Nieuwe Oogst’, rond de presentatie van nieuwe leden van de BNA-kring Amsterdam in november bij architectuurcentrum ARCAM werd georganiseerd, was van een geheel andere toon en inhoud. Het verhield zich niet zozeer minder, maar vooral anders tot de wijze waarop Nederlandse architecten zich als branche in het licht van de huidige ontwikkelingen willen positioneren. Allereerst was er sprake van een directere vorm van betrokkenheid van het aanwezige publiek. Ook was de sfeer op zijn minst wat geladen, doordat LEVS architecten (de nieuwe naam van Loof & van Stigt), deels samen met Bart Mispelblom Beyer (TANGRAM), voorafgaand aan het debat twee blogs schreven voor de website van de Architect. Beide blogs, die veel stof deden opwaaien, roepen de BNA min of meer tot verantwoording over het gevoerde beleid in het licht van de crisis.[7] De kritiek betrof niet zozeer de vinger die de bond aan de pols houdt en de cijfers die het trouw publiceert. Maar de BNA zou zich in het licht van de crisis veel activistischer en harder moeten opstellen, een voorbeeld moeten nemen aan de effectieve Haagse lobby van bijvoorbeeld Bouwend Nederland én meer punten moeten agenderen dan alleen het Europese aanbestedingenbeleid. Die stellingname riep, voorafgaand aan het debat, diverse kritische en steunbetuigende reacties van andere architecten op. In de meeste gevallen werden daarbij de rol en verantwoordelijkheid van de BNA ter discussie gesteld. Op een enkele uitzondering na overigens zonder het bestaansrecht van de bond zelf in twijfel te trekken. Hiermee was het debat ook een illustratie van een tendens die zich, volgens kenners, wel vaker voordoet bij crises in het vakgebied. De bond wordt weliswaar wel vaker bevraagd op haar acties ten dienste van de architect. Maar de symptomen steken vooral de kop op als de wind voor de sector uit een ongunstige hoek waait. Dat die kritiek soms wat opportunistisch is, bevestigde een reactie op de blog van Van Stigt: ‘Het is altijd hetzelfde liedje, als het goed gaat heeft de architect het goed gedaan, en als het misgaat heeft de BNA het gedaan.’

Onbedoeld ontstaat zo een beeld van, weliswaar betrokken, architecten die, deels in stilte, opgaan in hun persoonlijke motiveringen en lijfsbehoud

Naast dit meningsverschil over een goede belangenvertegenwoordiging werd bij deze gelegenheid toch vooral de relatieve machteloosheid van betrokkenen en het bijna wanhopig zoeken naar aanknopingspunten duidelijk. De aanwezigen wekten niet de indruk een keuze te kunnen maken tussen een consolidatie dan wel innovatie van hun positie als architect. Waar mensen als Thackara de neiging hebben wat door te schieten in hun pogingen het vak te revitaliseren, zijn bijeenkomsten als deze bijna symbool van een wat verlammende besluiteloosheid. Natuurlijk kan de publieke factor daarbij als excuus worden aangedragen, maar dat kan het gevoel van ontreddering niet helemaal verhullen. Architecten zien weliswaar dat organisaties als Bouwend Nederland de kaas van hun brood eten, en zien dat de architect steeds vaker uit de bouwkolom in de richting van de cultuurkolom wordt gedrukt, maar weten er nauwelijks een vuist tegen te maken. In het licht van de huidige kaalslag door het kabinetsbeleid is dat overigens niet een hoek waar je als ontwerper terecht wilt komen. Hij verliest voorts terrein in het bouwproces, verliest verantwoordelijkheid en regie, maar weet dat tij dus nog maar moeilijk te keren. Onbedoeld ontstaat zo een beeld van, weliswaar betrokken, architecten die, deels in stilte, opgaan in hun persoonlijke motiveringen en lijfsbehoud. Men ambieert regie en rept over een gewenste terugkeer naar de rol van de traditionele bouwheer. Maar de realiteit is die van een onheilspellende context die zich op een heel ander (schaal)niveau afspeelt en deels door andere spelers wordt gedicteerd. Een context echter die wel in zeer belangrijke mate verantwoordelijk is voor de malaise in de branche en hem in zekere zin in een houdgreep heeft. Van Stigts ‘aanval’ op de BNA is voor een belangrijk deel ingegeven door de onmacht en wanhoop die een individuele architect ervaart tegenover opdrachtgevers en de processen die zijn vak ondermijnen.

Waar de eerdergenoemde serie van het NAi dus een lichte vorm van escapisme verweten zou kunnen worden, was er bij het ARCAM-debat eerder sprake van een wat wanhopige besluiteloosheid. Het zijn dit soort momenten die het beeld versterken van een tobbende branche die, liggend op de sofa, zijn zorgen uit in afwachting van betere tijden. Naarmate het crisisgevoel langer aanhoudt, des te veelvuldiger ook de pogingen om oplossingen te vinden of de positie van de architect te benoemen, te innoveren en verloren terrein te heroveren. Het is ook in dat licht dat publicaties zoals Architecture as a Craft (2011) onder redactie van Michiel Riedijk, waarbij een van de drie gekozen invalshoeken de positie is die de architect inneemt in het ontwerp- en bouwproces, begrijpelijk zijn.

Ook de ‘Agenda Rotterdam’ (2009), waarin jonge architecten actief antwoorden zoeken op de vraag hoe architectuur als ontwikkelkracht van de stad kan worden ingezet, past in dit beeld. Het is ook dit vlak waarop overeenkomsten met internationaal gedeelde visies ontstaan. Overeenkomsten die als prettige bijwerking hebben dat de problemen wat meer worden losgeweekt van de (bekrompen) nationale condities, hoe elementair die ook lijken. Zo pleitte Joshua Prince-Ramus (REX) tijdens zijn bijdrage aan een van de fameuze TED-bijeenkomsten op zeer overtuigende wijze voor een nieuwe architectonische verantwoordelijkheid.[8] In zijn analyse van de crisis wijst hij naar de architecten zelf die deels schuld hebben aan de uitgerangeerde positie waarin ze zich bevinden. Te lang hebben architecten zich laten leiden door principes van andere partijen in een steeds complexer wordende bouwindustrie. Architecten hebben, volgens Prince-Ramus, zelf bijgedragen aan de huidige scheiding tussen ontwerp en uitvoering door te accepteren dat hun bijdrage steeds meer uit objecten dan uit processen bestond. Dat de bijdrage van een architect zich ook steeds meer beperkt tot het begin van een traject (bouwketen) hangt daarmee nauw samen. Vanzelfsprekend bepleit Prince-Ramus vervolgens ook het terugwinnen van die positie als architecten weer verantwoordelijkheid durven nemen en vanuit een duidelijke visie op een meer gelijkwaardige manier gaan samenwerken met hun opdrachtgevers. De architect moet zich emanciperen, zo is de strekking. Tot vergelijkbare conclusies, zij het met een meer nadrukkelijke rol voor de overheid, kwamen ook André Kempe en Oliver Thill in hun grondige studie naar ‘De Nieuwe Architect’.[9]

Een combinatie van de visionaire energie die voortkomt uit presentaties zoals van Thackara en Prince-Ramus met het besef van de onmacht die geëtaleerd werd bij ‘De Nieuwe Oogst’ zou idealiter moeten leiden tot een revitaliserende toverdrank voor de branche. Er schuilt bij het innemen daarvan echter een gevaar. En dat is dat achter veel van de goede bedoelingen toch een verlangen naar een het herstel van oude situaties schuilt. Die wens leek ook aan de basis te liggen van de derde bijeenkomst die hier ter illustratie wordt opgevoerd. Onder de titel ‘De Nieuwe Bouwopgave’ organiseerde Architectennetwerk Anet in het najaar van 2010 twee debatten.[10] Het doel leek daarbij aanvankelijk om, handelend vanuit een sterk ervaren crisisgevoel, met een groot gebaar alle aspecten van een nu nog onzekere toekomst voor zowel overheid, opdrachtgevers en architecten neer te zetten. Een van de uitkomsten van de beide debatten was echter de vaststelling dat de tijd van grote gebaren en grootschaligheid als gevolg van de crisis (voorlopig) voorbij is. In de plaats daarvan ligt er nu een versnipperd, labiel en ook onoverzichtelijk speelveld aan onze voeten. Daarin gelden andere en wellicht ook minder normen en waarden. Er zijn derhalve kansen voor diversificatie, deelmarkten en niches. Niet het zoeken naar conformistische koersen, maar het intuïtief inspelen op een gefragmenteerde en onvoorspelbare werkelijkheid door kleinschalige (individuele) spelers of ideeën is te prefereren.

Niet het zoeken naar conformistische koersen, maar het intuïtief inspelen op een gefragmenteerde en onvoorspelbare werkelijkheid door kleinschalige (individuele) spelers of ideeën is te prefereren

Terugkijkend naar de twee andere bijeenkomsten sluit deze geest aan bij die van het type Thackara en verklaart het ook de blokkering tijdens het debat bij ‘Nieuwe Oogst’. Het denken in een consensus werkt niet meer. In plaats daarvan krijgt de ondernemende architect daadwerkelijk vleugels. De architect die zelf actie onderneemt (proactief is), die excelleert op basis van interesse en gedoseerde verantwoordelijkheid én genoegen neemt met minder klassieke macht. Een attitude, kortom, die niet gereflecteerd wordt in het stilzwijgen waar architecten zich nu soms in hullen. En net zomin in de verwoede pogingen om verdeeldheid te voorkomen en gedeelde belangen te bundelen. In dit licht is het, tenslotte, ook meer dan aannemelijk dat het nu nog afwezige gezicht van de crisis uiteindelijk niet een tobbende, werkloze architect zal zijn maar juist een succesvol persoon uit deze groep ondernemende, niche-georiënteerde en bescheiden architecten.

[1] Uit interview met Hans Ibelings als jurylid van de Architect van het Jaar Prijs 2010, Justred/media, 2010.

[2] Henny de Lange, ‘Overreactie Nederland op crisis’, Trouw, 10 maart 2010.

[3] Marleen Luijt, ‘En weer tien werkloze architecten erbij’, NRC Handelsblad, 21 oktober 2010.

[4] Zie: persbericht Nederlands Architectuurinstituut ‘Architectuur als noodzaak. Ruimtelijk ontwerp als antwoord op maatschappelijke crises’, 13 oktober 2009.

[5] Theo Hauben, ‘Tijdloze oplossingen. Waardecreatie in architectuur en stedenbouw’, www.archined.nl, 24 maart 2010.

[6] Robert-Jan de Kort, ‘Een wereld vol vraagtekens’, www.archined.nl, 30 maart 2010. De lezing van John Thackara ‘Plan B – Ontwerpen in een complexe wereld’ vond op 18 maart 2010 plaats in het NAi.

[7] zie: www.dearchitect.nl/blogs/2010/11/12/gestrekt-erin en www.dearchitect.nl/blogs/2010/11/23/olie-op-het-vuur

[8] Bijdrage van architect Josua Prince-Ramus (REX), TEDxSMU-event, Southern Methodist University, Dallas, 2009.

[9] Atelier Kempe Thill, ‘De Nieuwe Architect. Onderzoek naar de recente veranderingen binnen de Nederlandse bouw en de positie van de architect’, Rotterdam, maart 2010.

[10] De debatten vonden op respectievelijk 8 en 21 september 2010 plaats in Architectuurcentrum ARCAM, Amsterdam. Zie: www.anet.nu

0 reacties