06 - 26348903 jajaberg@xs4all.nl

De onweerstaanbare ontwikkeling van actief wonen

Artikel over de invloed van maatschappelijke factoren, architecten en vooral bewoners/opdrachtgevers bij de historische ontwikkeling van particulier opdrachtgeverschap.
project

Architectuur Lokaal

thema's

Leestijd Bergplaats

Niet alleen financiële en politieke factoren hebben de ontwikkeling van de relatie tussen stedenbouw en particulier opdrachtgeverschap bepaald. Ook maatschappelijke factoren, architecten en vooral bewoners/opdrachtgevers speelden een belangrijke rol, naast of als verzet tegen de allesbepalende overheid. Dat leidde niet alleen tot wereldberoemde villa’s zoals het Rietveld-Schröderhuis in Utrecht, hippienederzettingen zoals Christiania in Kopenhagen, maar ook tot ‘gewone’ woonbuurtjes zoals op Bickerseiland.

Dat particulier opdrachtgeverschap een vaste plaats heeft veroverd in de actuele ontwikkeling van onze steden en stedenbouw leidt geen twijfel meer. De verwachting wordt weliswaar nog niet in alle delen van Nederland gestaafd door een overweldigende hoeveelheid gebouwde huizen onder particulier opdrachtgeverschap, maar de wens is er wel. Zo blijkt bijvoorbeeld uit het WoON onderzoek uit 2009. Daarin geeft 28% procent van de huishoudens met een ‘neiging tot verhuizen’ aan dat er belangstelling bestaat om zelf als opdrachtgever op te treden. De bijna 2 miljoen huishoudens die zegt te willen verhuizen, heeft – volgens datzelfde onderzoek – de verhuisplannen nog wel even uitgesteld vanwege de crisis.
Ook gemeenten vertonen hier en daar nog enige aarzelingen ten opzichte van het samenwerken met particulieren en hun persoonlijke wooninitiatieven. Die terughoudendheid heeft met de crisis te maken, maar wordt voor een belangrijk deel ook veroorzaakt door de macht der gewoonte. Decennialang werkten gemeenten op het gebied van woningbouw immers samen met vertrouwde partners als projectontwikkelaars en woningbouwcorporaties. Partijen waar men blindelings op vertrouwt en waarvan men weet hoe ze opereren en hoe snel tot een bevredigend resultaat gekomen kan worden. Over de derde groep die zich nu aandient, bestaat hier en daar nog wat voorbehoud die een soepele implementatie van particulier opdrachtgeverschap hinderen. Die reserve is vaak gebaseerd op (deels ongefundeerde) aannames dat het bouwen met particulieren leidt tot verrommeling van ruimtelijke kwaliteit en vertraging van gewenste ontwikkelingsprocessen. (zie ook hoofdstuk 4 en map 4) Maar naarmate het aantal gerealiseerde en succesvolle particuliere projecten groeit zal naar verwachting die terughoudendheid omslaan. Aan het enthousiasme, gebleken visie en vertoonde doorzettingsvermogen van de pioniers op het gebied van particulier opdrachtgeverschap gedurende de afgelopen tien jaar zal het in elk geval niet liggen.
De kiemen zijn dus gezaaid, de deur staat op een kier. Het wachten is eigenlijk alleen nog op het oogsten op een wat grotere schaal. Deze optimistische verwachting is niet alleen gebaseerd op een inschatting en analyse van genoemde en andere recente ontwikkelingen, maar kan ook door een terugblik aan de hand van een aantal significante historische voorbeelden onderbouwd worden. Een constructie van een ontwikkelingsgeschiedenis die duidelijk laat zien waarom de verdere ontwikkeling van particulier opdrachtgeverschap op kortere termijn onweerstaanbaar is.

Een constructie van een ontwikkelingsgeschiedenis die duidelijk laat zien waarom de verdere ontwikkeling van particulier opdrachtgeverschap op kortere termijn onweerstaanbaar is.

Particulier opdrachtgeverschap in het huidige West-Europa, en alle vergelijkbare vormen waarbij een bewoner invloed heeft op het gebruik van de grond, ontwerp en bouw van de woning, is eeuwenlang voorbehouden geweest aan welgestelde burgers en de adel. Afhankelijk van de mate waarin deze rijkdom gekoppeld was aan (politieke) macht, de specifieke context en het de periode waarin deze voorlopers van de huidige particuliere opdrachtgevers actief waren, leverde dit een veelvoud aan bouwwerken op. Variërend van chique paleizen, fijne landgoederen tot relatief bescheiden panden aan een van de Amsterdamse grachten. De minder bedeelden woonden omgekeerd ook in huizen die aansloten bij hun mogelijkheden en leefwijze. Afhankelijk van het soort werk en de directe context (stedelijk of landelijk) kon de huisvesting worden aangepast aan de uitgevoerde werkzaamheden. Timmerlieden en kooplieden woonden in steden niet zelden boven op hun werkplaatsen, maar tot echte, bepalende zeggenschap of beïnvloeding van het eindresultaat was niet of nauwelijks sprake. De wooncondities waren een afgeleide van de lage maatschappelijk positie en ze werden toch vooral bepaald en beperkt door externe condities. Daartoe behoorden zowel ruimtelijke, maatschappelijke als sociale condities. Minder bedeelden in de samenleving hadden vooral te leven met en volgens de condities die hen door anderen of door strikte ruimtelijke omstandigheden werden opgelegd. Het was in veel opzichten wonen in een keurslijf. Deze scheve verhouding weerhield veel goedbedoelende rijken en architecten er overigens niet van om oprecht begaan te zijn met de inferieure woonomstandigheden van minder bedeelden in hun samenleving. Die compassie leidde vooral vanaf de 18e eeuw tot inmiddels wereldberoemde en vaak idealistische huisvestingsconcepten zoals bijvoorbeeld de overbekende Cité Industrielle van Tony Garnier of de Garden City-beweging die werd ingezet door Ebenzer Howard. Veel van deze soms redelijk utopische programma’s waren ook gebaseerd op sterk anti-stedelijke gedachten. Want het was juist in steden waar bleek dat de (opgelegde) beperkingen op financiële, ruimtelijk en humanitair niveau leiden tot erbarmelijke woonomstandigheden. Auke van der Woud beschrijft die specifieke toestanden in Nederlandse steden treffend in zijn studie ‘Koninkrijk vol sloppen’.

De druk op de stad, ontstaan door een sterke trek naar de steden als direct gevolg van de industrialisatie van het land, én de mate waarin veel inwoners leidden onder de slechte woonomstandigheden was de directe aanleiding voor de invoering van de Woningwet in 1901 (zie ook hoofdstuk 1). Deze leidde tot veranderingen die doorgaans goed waren voor de woonomgeving en de algemene leefomstandigheden, maar het bood nauwelijks ruimte en mogelijkheden voor het integreren van specifieke woonwensen van de bewoners. Ondanks de vaak goede bedoelingen van betrokken architecten was onveranderd sprake van een redelijk paternalistische hiërarchie. Dat weerhield welgestelde en rijkere burgers er ondertussen niet van om particuliere woonhuizen te bouwen. Die exercities leverden overigens niet zelden architectonische hoogstandjes op waarvan Huis Sonneveld in Rotterdam en het Rietveld-Schröderhuis in Utrecht slechts twee bewijzen zijn. Met name dit laatste huis onderscheidt zich echter ook als een cruciaal moment in de ontwikkeling naar het huidige particulier opdrachtgeverschap. Hier leidde een wederzijds inspirerende dialoog tussen architect en opdrachtgever tot de realisatie van beider idealen. Rietveld wilde immers, vanuit zijn afkeur van traditionele huizen die een passieve levenshouding weerspiegelden, wonen tot een bewuste daad maken. Truus Schröder-Schräder op haar beurt toonde zich als een verlicht opdrachtgever door het herkennen en mogelijk maken van deze vooruitstrevende en gedurfde woonvisie. Vooralsnog bepaalde echter de invloed van de Woningwet, gecombineerd met achtereenvolgens heersende architectonische stijlen als de Amsterdamse School en het Nieuwe Bouwen, voor de tweede wereldoorlog in belangrijke mate het woonlandschap van Nederland. Ook na de oorlog wordt onder de Wederopbouwwet van 1950 op efficiënte wijze verder gebouwd aan collectieve en gedeelde woonkwaliteiten. Wonen was in hoge mate een democratisch goed geworden waarbij een hoge mate van urgentie gold en weinig ruimte was voor frivoliteit. Volkshuisvesting was serieus, verheffend, grootschalig en had een overwegend stedenbouwkundig karakter.

De eerste barsten in deze relatieve uniformiteit en de samenleving ontstonden in de jaren 60 van de vorige eeuw. Het verzet tegen heersende instituten en maatschappelijke normen werd ook zichtbaar in de volkshuisvesting. Groepen en individuele bewoners en architecten formuleerden zinnige en realiseerbare alternatieven voor de woningbouwproductie die werd aangestuurd door de overheid en corporaties. In die verschillende vormen van verzet tegen de gevestigde orde is ook de eerste aanzet naar de huidige opleving van particulier opdrachtgeverschap te vinden. De belangwekkendste factor in die ontwikkeling was de daadwerkelijke beweging van onderop. Bewoners in vooral stadsbuurten slaagden er voor het eerst in om een gezamenlijk blok te vormen tegen het beleid van de overheid en particuliere huiseigenaren die niet altijd rekening hielden met de wensen van de bewoners of zelfs uitsluitend handelden uit winstbejag. En wat nog belangrijker was, deze bottom-up beweging ging ook gepaard met ontwerpvisies en ideeën over mogelijke alternatieven.
Een goed voorbeeld van deze ontwikkeling is het succesvolle verzet van het Actiecomité Westelijke Eilanden dat eind jaren zestig in actie kwam tegen de al ingezette sloop van de oorspronkelijke bebouwing en de daaropvolgende schaalvergroting op het Bickerseiland in Amsterdam. In het gebied was sinds 1960 een saneringsoperatie gaande die leidde tot substantiële sloop en een beoogde nieuwbouw van grote kantoorgebouwen. De buurt verzette zich nadrukkelijk tegen deze schaalvergroting en bepleite juist kleinschalige bebouwing met een menging van wonen en werken. Met hulp van de architecten Paul De Ley en Jouke van den Bout ontwikkelden de buurtbewoners vervolgens een eigen plan. Dit had succes en leidde tot een wijziging van het bestemmingsplan en de bouw van nieuwe woningen. De buurt had daarmee de oorspronkelijke opzet van wonen en werken in de wijk zowel verdedigd en als herwonnen. Opmerkelijk was nog wel dat het project op Bickerseiland als voorloper van het huidige particuliere opdrachtgeverschap en te midden van het geweld van de toenmalige cityvorming nadrukkelijk het stempel experimenteel kreeg. Een stigmatisering waarop architect De Ley reageerde met de opmerking: “Het is triest dat de bouw zo verarmd is dat normale dingen experimenteel worden genoemd…”.
De succesvolle actie van dit Actiecomité Westelijke Eilanden staat natuurlijk niet op zich. Het was slechts een van de vele reacties op de grootschaligheid van de toenmalige nieuwbouw die voor een deel gebaseerd was op de ideeën van de ‘functionele stad’.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende en vormgegeven kritieken op die ideologie was het concept ‘New Babylon’ van Constant Nieuwenhuys. Aan de basis van dit utopische plan stond eveneens de analyse dat de stad en het wonen verworden waren tot massaproductie die leidde tot onpersoonlijke en banale steden. Constant en andere ontwerpers en kunstenaars (de Internationale Situationisten) stelden vast dat ingesleten principes van stedenbouw en woningbouw in toenemende mate uit de pas liepen met de realiteit en wensen van veel mensen door hun onpersoonlijke en kille aanpak en resultaten. Het gebrek aan vrijheid en ruimte voor emancipatoire gedachten in de voortgaande beweging sinds de wederopbouw begon te knellen. Hoewel Constants gekozen oplossing en vormgeving van een opgetilde megastructuur die op kolommen boven het land zweeft het doel wellicht voorbij schoten, maakt dat zijn visie op ‘de nieuwe mens’ en de analyse van de situatie die ‘New Babylon’ heeft opgeroepen niet minder interessant. Volgens Constant wordt de psychologische impact van de stedelijke omgeving en de ruimte waar mensen wonen onderschat. Mensen worden juist in hoge mate beïnvloed door de ruimte en structuur waarin zij in wonen. Hun leven wordt geconditioneerd door de unieke sfeer en uitstraling van de woon- en leefruimte. Dit negeren staat gelijk aan het negeren van mensen, vindt Constant. Deze gedachten en analyses zijn zowel een afspiegeling als voeding van belangrijke tendensen in zowel maatschappij als woningbouw in de jaren 60 en 70. De aanvankelijke megastructuren die Constant en de Situationisten ontwerpen transformeren in verloop van de tijd dan ook in meer doelgerichte en kleine interventies in bestaande stedelijke ruimte. Ze voedden daarmee ook protesten en acties zoals op het Bickerseiland, maar ook internationaal. Vrijwel al die projecten en acties delen de wens tot het zoeken en vinden van alternatieve woon- en leefvormen. De eerste, dan nog radicale experimenten op dit gebied ontstaan onder de vleugels van de ontluikende hippie-beweging in Amerika. Deze populaire subcultuur verzet zich met veel geestdrift tegen de kapitalistisch en materialistisch gekleurde maatschappij van dat moment. Het verzet richt zich tegen de vermeende geestdodende burgerlijkheid met haar vele regels en normen die de ontplooiing van het individu, zijn fantasie en vrijheid dramatisch beperken. De alternatieven worden op talloze terreinen in de samenleving, waaronder muziek en mode zichtbaar. Ook op gebied van wonen slaan de hippies en hun volgelingen nieuwe en vaak radicale wegen in.

Een van de vroegste en roemruchte voorbeelden daarvan is Drop City, een landelijke nederzetting in de staat Colorado die in 1965 werd gesticht. Geïnspireerd door de architectonische vormentaal en ideeën van architecten als Buckminster Fuller ontwerpen en bouwen de inwoners van deze nederzetting diverse koepelvormige huizen en andere gebouwen. De impact en mystificatie van dit soort plaatsen moet niet onderschat worden. Het werden, mede door hun vaak relatief korte bestaan, al snel symbolen voor een alternatieve ontwikkeling van wonen en woningontwerp, gebaseerd op de gemobiliseerde individualiteit en inspireerde zowel particulieren als architecten over de hele wereld.

Het werden, mede door hun vaak relatief korte bestaan, al snel symbolen voor een alternatieve ontwikkeling van wonen en woningontwerp, gebaseerd op de gemobiliseerde individualiteit en inspireerde zowel particulieren als architecten over de hele wereld.

De erfgenamen van deze pioniers manifesteerden zich in de daaropvolgend decennia zowel op landelijk als stedelijk niveau. Een goed voorbeeld van waar gemobiliseerde individualiteit op woongebied toe leiden kan, is Free Town Christiana in Kopenhagen (Denemarken). Op een voormalig kazerneterrein in het centrum van de stad vindt sinds begin jaren 70 een experiment plaats dat goed laat zien waartoe gebundelde ideeën over individueel en experimenteel wonen toe kunnen leiden. Toen het leger verhuisde naar een andere locatie was het aanvankelijk de bedoeling om de bestaande gebouwen te slopen en nieuwe, grootschalige woningbouw te realiseren. Toen die ontwikkeling op zich lieten wachten, werd het gebied ingenomen door een mix van daklozen, idealisten en alternatieve vrije denkers. In plaats van sloop werd het gebied met behoud van veel van de oorspronkelijke gebouwen getransformeerd tot een alternatief woongebied dat contrasteert met de reguliere, geplande stad eromheen. Maar anders dan nederzettingen zoals Drop City bestaat Christiania nu nog steeds en bewijst het ononderbroken zijn toegevoegde waarde als vitaal onderdeel van de stad en als vrijhaven en inspiratiebron voor (binnenstedelijk) particulier opdrachtgeverschap. Het voortdurende succes als alternatieve woonenclave, maar ook de spin-off als toeristische attractie, hebben op termijn ook oorspronkelijke sceptici overtuigd.
Projecten als Christiania hebben de huidige bemoeienissen om het huwelijk tussen particulier opdrachtgeverschap en stedenbouw te laten slagen een grote dienst bewezen. Als voorlopers van en wegbereiders voor het huidige particulier opdrachtgeverschap telt bij de genoemde voorbeelden niet zozeer hun experimentele karakter en anarchistische ondertoon. Het is eerder hun symboolfunctie als inspirerende en op individuele woonwensen gebaseerde, levensvatbare én laagdrempelige alternatieven naast een overheersend systeem. Ongeacht of dit nu een ‘functionele stad’ betreft of een woningbouw die geregisseerd en gecontroleerd wordt door corporaties en ontwikkelaars.

0 reacties